Nardus logo                                             NIICEN logoe

 

 

Persbericht


"Het noaberschap in de lokale uitvaart"


Nardus samenwerkende uitvaartorganisaties heeft onlangs gehoord dat "het
noaberschap in de lokale uitvaart" is geplaatst op de Nationale Inventaris Immaterieel
Cultureel Erfgoed in Nederland. Zaterdag 26 november vond de algemene vergadering
van Nardus plaats en werd het certificaat officieel uitgereikt aan het bestuur door
mevrouw Strouken, directeur Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland.

Noaberschap is een specifieke traditie die zijn oorsprong in de agrarische samenleving in
grote delen van Nederland heeft. Noaberschap kan het best vertaald worden als ‘burenhulp’
of ‘bijstand’ (G.J. Hospers & M. van Lochem in 2002 in het artikel “De Twentse
samenwerkingsparadox”). Binnen deze traditie waren buren van oudsher met elkaar
verbonden in rollen als noodnoabers en gewone noabers. Een uitgebreid stelsel van
ongeschreven regels gaf vrij precies aan voor wie in welke situatie welke hulp aan wie moest
verlenen. Op momenten dat hulp nodig was, bijvoorbeeld bij een geboorte of overlijden, kon
er dus altijd op de buren worden gerekend, waardoor de traditie de functie had van wat nu
een natura-verzekering zouden noemen. Er kwam echter in die jaren geen vergoeding of
geld aan te pas.


Het regelen van begrafenissen was dus een taak van een dorpsgemeenschap. Wanneer
iemand overleed was het de gewoonte om onmiddellijk de naaste buren daarvan in kennis te
stellen, al was het midden in de nacht. Gebruikelijk was dat de vijf buren aan weerszijden
van het sterfhuis naoberplichtig waren. Deze buren hadden tot taak alles te regelen wat in
verband met het sterfgeval nodig was. Het was niet van belang in welke verhouding de
naobers tot de overledene stonden of tot welk kerkgenootschap zij hoorden, naaste familie
had op dat moment geen plichten.


Al het werk rondom een uitvaart werd door de noabers gedaan. Iemand uit de buurt deed
aangifte van het overlijden op het gemeentehuis. Anderen zorgen voor het wassen en in de
kist leggen van de overledene. De kist werd door de plaatselijke timmerman gemaakt. De
aanzegger ging langs de huizen om namens de familie te vertellen dat die persoon was
overleden. Op de begraafplaats werden voorbereidingen getroffen om een graf te graven. Dit
gebeurde met de hand. Rijke mensen konden een graf kopen, arme mensen kregen een
plek aangewezen. De kist werd op een gewone boerenwagen naar de begraafplaats
gebracht, maar rijke mensen huurden in lijkkoets in. Bij de begraafplaats werd de kist door
de dragers (dit waren de buren) op een baar naar het graf gebracht. De grafdelver had hierbij
de leiding. Dit ging niet regelrecht naar het graf. Op bepaalde plaatsen werd er drie keer met
de zon mee om de dodenakker gelopen, later ging men drie hoeken om alvorens degestorvene te begraven.

Het heette: Eén keer voor de Vader, één keer voor de Zoon en éénkeer voor de Heilige Geest."

Na afloop bleef men nog even bijeen. Dit gebeurde op de begraafplaats of in een daarvoorgeschikte ruimte.

Het graf werd gedicht en er werd een zogenaamd grafrek of dodenhuisje op geplaatst.

Daarover werd een kleed gelegd gedurende de periode van rouw. Men noemde dat het
"afdekken" van het graf. Deze beschrijving vond plaats in het noorden van het land. In
andere delen van het land ging het op nagenoeg dezelfde wijze.


Dit gebruik is veelal meer dan 100 jaar geleden begonnen en gebeurt nog steeds. De
vereniging heeft dragers die beschikbaar zijn, wanneer er geen naaste buren zijn of familie
die de kist kunnen/willen dragen.


Kleding voor de dragers wordt beschikbaar gesteld door de vereniging. Soms treedt een
bestuurder op als eerste aanspreekpunt voor de nabestaanden. Vroeger ging de bode door
het dorp en meldde dat iemand was overleden en wanneer deze werd begraven. Later werd
een rouwkaart verzonden en een advertentie in de plaatselijke krant. Tegenwoordig wordt
nog wel een rouwkaart verzonden, advertenties worden minder, maar social media doet haar
intrede. Bijvoorbeeld condoleren kan digitaal.


Om "het noaberschap in de lokale uitvaart" levensvatbaar te houden heeft Nardus een aantal
toezeggingen gedaan waar zij de komende twee jaar, samen met de uitvaartverenigingen,
aan gaan werken.


De verenigingen kunnen open dagen organiseren. Zo kunnen zij aan de inwoners van het
dorp laten zien wat de uitvaartvereniging te bieden heeft. De uitvaartvereniging is vaak de
grootste vereniging in een dorp, maar treedt weinig voor het voetlicht.


We gaan besturen enthousiast maken om via facebook/twitter de uitvaartvereniging onder de
aandacht te brengen voor een breder publiek.


We gaan acties ontwikkelen om jonge bestuursleden en vrijwilligers binnen te halen,
waardoor de verenigingen kunnen blijven functioneren en niet worden overgenomen door
grote partijen.


We zullen de Overheid blijven overtuigen van de meerwaarde van het noaberschap. Nardus
blijft de wet- en regelgeving op de voet volgen. Deze moet hanteerbeer en werkzaam blijven.


Het verkrijgen van het predicaat “immaterieel cultureel erfgoed” is een hart onder de riem
voor de vele bestuurders en vrijwilligers van uitvaartverenigingen die zich inspannen voor het
noaberschap.


_________________________________________________________________________
Noot voor de redactie
Voor vragen kunt u contact opnemen met Syta Hammink, telefoon 055-5051316 of
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken..